Sven en Willie

Een jaar geleden tijdens de eerste corona-toestanden wilde ik deze website weer aan gaan slingeren. Ik zat tijdelijk zonder werk, dus ik had tijd genoeg om weer eens wat teksten en beeld te maken, vond ik. Ergens knaagde er ook iets. Ik zat in mijn eerste echte pandemiemiemie en eigenlijk voelde het overbodig, iets maken. Ik moest maar snel weer werk zoeken, geen gezever.

Ik denk bij tegenslag op werkgebied altijd aan mijn opa die in de mijnen werkte. Mijn werk kan namelijk nooit zo erg zijn als dat gegraaf in de Zuid-Limburgse aarde. Die gedachte is zelden nuttig, maar zit sterk verankerd in mij. Dus was ik van mening dat ik best weer zo’n baan kon doen waarbij ik me al meer dan tien jaar kapot zat te vervelen. En zeker tijdens zo’n verrotte pandemie. Misschien zou die wel tien jaar aanhouden, wist ik veel. Op straat wonen met een killervirus in omloop sprak me namelijk ook niet bepaald aan. Ik schreef wat brieven, had een paar gesprekken en werd aangenomen. Dat is namelijk het enige deel van mijn leven dat vrijwel altijd verloopt zoals de buitenwereld het graag ziet. Dat lijkt aantrekkelijk, maar vergis je niet: dingen zijn zelden wat ze lijken.

Voor mijn nieuwe baan moest ik een oerwoud aan papierwerk inscannen en dus pakte ik Sven de Scanner erbij. Ik kocht Sven ooit om pentekeningen en andere creatieve uitspattingen in te scannen. Maar ik had Sven al heel lang niet meer gebruikt, want ik maakte nooit meer iets. Dus een beetje onwennig stak ik de kabel in de USB-poort van Maggie de iMac. De uitkomst was weinig verrassend: natuurlijk weigerde mijn scanner dienst.

Heel even keek ik verdwaasd voor me uit, maar al snel bedacht ik dat ik waarschijnlijk nieuwe drivers moest installeren. Helaas kwam er daarna nog steeds geen beweging in Sven.
Ik, verbolgen: ‘Hee Sven, wiekser!’
Sven deed een Willempje de Zwijger.
Ik ben een halve dag bezig geweest om mijn scanner weer in het land der werkende apparaten te krijgen, maar hij gaf helemaal geen sjoege meer. Ik kopieerde de benodigde documenten met mijn iPad en in een copyshop in de Voorstraat. Maar ik kreeg die haperende scanner maar niet uit mijn hoofd.

Ik begon aan mijn nieuwe baan en negeerde daarmee een aantal essentiële zaken. Die kwamen dus keihard terug en ergens in januari dacht ik: ‘Nu is het klaar, hè. Je moet echt je hersenen wakker gaan beuken, dit kun zelfs jij niet meer voor jezelf verantwoorden. En je hebt een Wacom, die kun je ook gebruiken om iets te maken.’
Dus ik plugde de tekentablet (beter bekend als Willie de Wacom) in. Wederom gebeurde er niks, ook niet na het installeren van nieuwe spullen en wat halfbakken gepruts aan de instellingen van mijn computer.
‘Hee Willie, vrouwmesj!’ riep ik vertwijfeld uit.

Ik modderde een beetje door met mijn leven en dacht af en toe na over mijn scanner en mijn tekentablet zonder echt actie te ondernemen. Ergens in april besefte ik dat er iets mis was met mijn prioriteiten. Corona heeft mij veel inzichten gebracht, laten we het daar op houden. En zoals dat gaat als je weer ruimte in je hoofd schept, besefte ik ook opeens hoe ik Sven en Willie weer aan de praat kon krijgen. Na wat gepruts en gerommel op Maggie de iMac kwam er plots weer leven in mijn apparatuur.
‘Elise!’ riep Sven, ‘Waar was je? Het was donker en er was niets!’
‘Godmiljaar,’ bromde Willie, ‘Dat was een lange winterslaap. Wil je dat niet meer doen?’

Zo maakte ik mezelf wijs dat ik een jaar lang niks kon maken omdat mijn scanner en mijn tekentablet het niet deden. Ik weet natuurlijk heus wel dat het een uitvlucht was. Om de navelstreng met het slepende bekende maar niet door te hoeven knippen. Laten we vieren dat ik in ieder geval tot dat inzicht ben gekomen. Of zo.