De dooie kepotte

Vorig jaar april kocht ik een pannenkoekenplant, ook wel bekend als de pilea peperomioides. Ik kon mijn geluk niet op, want ik vond het een esthetisch aangenaam geval, die plant. Uiteraard had ik een bijzonder mooi exemplaar weten te scoren bij de Dille & Kamille. Trots liep ik met mijn tasje langs de Oudegracht, terwijl ik me inhield om het niet op een loopje te zetten en dan om de tien meter even met de hakken van mijn schoenen tegen elkaar te tikken tijdens het maken van een blij sprongetje. Weet u wel, zoals stripfiguren altijd doen. Ik zette de pannenkoekenplant op de kast, noemde ‘m Penelope en af en toe gaf ik ‘m een beetje water. Ik was helemaal in mijn nopjes en de plant blijkbaar ook, want hij stond zich helemaal de moeder te groeien in z’n potje.

Maar toen gebeurde er wat er altijd gebeurt met mij: ik werd overmoedig. Het is dat ik al drie middelste namen heb, maar anders zou ik hybris er zonder blikken of blozen aan toevoegen. De pannenkoekenplant had namelijk vijf baby’s en ik dacht (na het kijken van een Deens instructiefilmpje) dat het een goed idee was om die baby’s van de moederplant te scheiden en vijf nieuwe planten te gaan kweken. En als ik dan vijf nieuwe planten had, dan zouden die binnen de kortste keren ook weer vijf baby’s hebben en dan zou ik een handeltje beginnen en superrijk worden. Of als iedereen al een pannenkoekenplant had, dan zou ik toch minstens een kapmes nodig hebben om me een weg te banen door de pannenkoekenplantjungle in mijn woonst. En dat was ook tof. Of zo.

Dus in oktober hakte ik de knoop door en sleepte mijn plantenkabinet (ik heb er meer, no worries) naar het balkon en scheurde een zak potgrond open, die ik een paar weken eerder van de Dille & Kamille naar mijn hut gesleept had. Mijn buurvrouw, met wie ik het balkon deel, hing uit het raam en rookte een sigaret.
‘Wat ga jij doen?’ wilde ze weten.
‘Ik ga mijn planten ompotten. En stekjes in potjes doen.’
‘Hmmm, planten,’ zei mijn buurvrouw, terwijl ze bedachtzaam de rook over het balkon blies, ‘Die gaan bij mij altijd dood.’
‘Oh, bij mij niet, hoor’ zei ik, ‘Kijk nou, hoe leuk en gezellig en fantastisch en mooi ze zijn!’
Ik zie de hybris wel, hoor. Als ie me aanstaart. Maar het is echt sterker dan ikzelf.
Dus ik zette de baby’s in kleine jampotjes of in het water om een worteltje te krijgen en vervolgens plantte ik Penelope in z’n witte potje terug.
U raadt het al: vanaf dat moment ging het bergafwaarts met Penelope. Om het allemaal nog wat erger te maken overleden vier van de vijf baby’s ook nog eens. Het is echt maar goed dat ik geen mensenbaby heb, zullen we maar zeggen. Ik heb hierbeneden even voor u in kaart gebracht hoe mijn eens zo prachtige plantje helemaal gedegenereerd is sinds oktober. Ook ziet u mijn reactie. Ik word namelijk HEEL moe van Penelope en als ie niet kijkt dan rol ik met mijn ogen…

Natuurlijk ging ik op een gegeven moment opzoeken wat er met Penelope aan de hand was. Als een ware hypochondrische thuisdokter struinde ik de interwebs af. Ik ging zelfs bij een feestboekgroep over kamerplanten, waar ik meer zieltogende Penelopes ontwaarde. Maar daar begon de verwarring. Deels omdat veel minse het over ‘me pannenkoekenplant’ hadden, maar ook omdat de adviezen nogal tegenstrijdig waren. Of ik doe er gewoon te academisch over, dat kan ook. Daar heb ik wel vaker last van, namelijk.

Hier een greep uit de aanwijzingen:

‘Ze moeten zon!’
‘Je moet weinig water geven in de winter! Hij is aan het rusten! Anders krijg je wortelrot!’
‘De grond moet nat aanvoelen, als dat niet zo is, water geven!’
‘Waarom gebruik je geen binnenpot? Dat is beter voor de waterregulatie!’
‘Die van mij staat graag donker!’
‘Die baby’s haal je er in het voorjaar uit, later in het jaar is niet handig, dan herstelt de plant slecht…’ (OH, WAS DAT HET!)
‘Dit doen ze altijd in de winter!’
‘Waar heb je het over? Die van mij groeit fantastisch, kijk!’, gevolgd door een foto van een belachelijk grote pannenkoekenBOOM.

‘Ja, hoerewillie!’ riep ik tegen mijn scherm, ‘Wat is het nou?’
Dus ik naar Penelope.
‘Zeg tuup, wat gaat het worden?’ wilde ik weten.
‘Ik krijg een nieuw blaadje, kijk,’ zei Penelope blij.
‘Dat vroeg ik niet,’ bromde ik.
‘Maar dat blad met die bruine vlek ga ik afstoten, hoor,’ babbelde Penelope onverstoorbaar verder.
‘Als je zo doorgaat met bladeren afstoten, ben je dadelijk een dooie kepotte,’ beet ik mijn plant toe.
‘Het is altijd gezellig met jou. Lees anders nog wat op je feestboekgroep,’ snauwde Penelope terug.

Het is nu maart. Af en toe schijnt de zon naar binnen en ik probeer me te verbeelden dat Penelope dat aangenaam vindt en dat z’n vijf nog enigszins fatsoenlijke bladeren groeien.
Af en toe steek ik een vinger in de potgrond en zeg ik bemoedigende dingen als ‘Nou, je kan wel wat water hebben’ en dan vul ik mijn gietertje en geef ‘m wat voer. Sinds ik de watertoevoer drastisch omhoog heb bijgesteld, lijkt het beter te gaan… maar voorlopig houd ik toch maar een slag om de arm.

Tot zover dit verhaal over hoe Elise nederigheid leerde van een kamerplant.
(HAHAHA. ECHNIE.)