Texel

In april was ik op Texel. Eigenlijk wilde ik naar Berlijn, maar dat ging natuurlijk niet. Dus boekte ik vijf dagen in hotel Opduin, vlak naast het strand in De Koog. Ik heb niet veel nodig, ook niet in deze rare tijd. Een strand, wat duinen en een hotel met afhaaleten én schlager tv op de kabel? Ik vermaak me prima. Vrijwel meteen na aankomst huppelde ik door naar het strand. Ik besloot daar om direct over te gaan tot één van mijn favoriete hobby’s: het fotograferen van dingen in de branding. Interessante schelpen, viezig bruingrijs schuim en flubberige kwallen… ik leg het allemaal vast. Zeker de helft van mijn waddeneilandfoto’s bestaat uit dat soort dingen. Het is vreselijk om met mij over het strand te lopen, want ik stop om de drie meter, terwijl ik roep: ‘Kijk, een dinges!’. En dan ga ik nog net niet op mijn buik liggen om er een foto van te maken. Daarom ga ik ook graag alleen op vakantie. Dan kan ik lekker een raar kunstwerk maken van scheermessen in het zand en dat vanuit alle hoeken fotograferen zonder dat iemand er last van heeft. Ik vind raar doen gewoon makkelijker in mijn eentje, denk ik.

Vrijwel elke avond was er op het strand van De Koog een gratis zonsondergang rond half negen. Na ja. Puik geregeld wel. Op de derde avond hingen grote, dramatische wolken boven de Noordzee. Het was die dag koud geweest en ik had vroeg in de middag van Den Burg naar Oudeschild willen lopen. Toen ik met de bus in Den Burg aankwam en de wind door mijn regenjas heen voelde, bedacht ik dat een voettocht door de polder misschien niet mijn beste idee ooit was. Dus liep ik een extra rondje door het uitgestorven dorp. De winkels waren open, maar ik mocht nergens naar binnen, want ik had geen tijdslot gereserveerd. Ik besloot me niet te laten kisten en kocht ergens een hipsterkoffie to go. Daarna nam ik de bus terug naar De Koog. Voor wat wandelingen over het strand. Het simpele leven. Wat uit zichzelf vaak mooier is dan het ingewikkelde leven. Vind ik tenminste.

Ik had nog nooit een e-bike gehuurd, maar met mijn huidige corona-conditie en een horrorfietstocht op Terschelling in mijn achterhoofd leek het me wijs om een bejaardenfiets te gaan regelen. De kunst in dit leven is namelijk om de verwachtingen realistisch te houden. Kijk, ik ben niet bepaald de Tom Dumoulin van het recreatief rondfietsen, dus een fietstocht van zo’n kilometer of twintig wordt dan al snel vervelend, bijvoorbeeld omdat je om het kwartier half dood van je fiets afdondert. Maar niet met zo’n verkapte brommer, zo bleek al snel. Zingend fietste ik door het Texelse landschap. Op weg naar de vuurtoren. Het deed echt iets met mijn gemoed. Met twintig kilometer per uur tegen het duin op, tegen de wind in. Zonder een greintje pijn. Zelfs toen later die middag mijn hele rechterschoen in de modder verdween tijdens een korte wandeling in De Slufter, bleef ik daar bijzonder opgewekt onder. Make fietsen great again, potdomme.

Eigenlijk zou ik van maandag tot vrijdag op het eiland zijn. Maar donderdagavond dacht ik: pruimenpietje, ik ga maandag pas terug. Ik kan echt wikken en wegen over de idiootste dingen, maar zo’n besluit vind ik dan weer niet zo lastig. Ik liep naar de lobby van het hotel, mijn kamer bleek nog vrij. En zo werd zondagavond opeens mijn laatste avond op Texel in plaats van deze donderdag. Dat was fijn en ook wel nodig, want ik begon net een beetje los te komen van de soms ondraaglijke alledaagsheid van het bestaan. Waarbij je je af kunt vragen waar die alledaagsheid dan precies in zit. Ik denk namelijk dat het fotograferen van aangespoelde dingen in de branding op den duur ook gaat vervelen. Tenzij het een potvis is natuurlijk. Dat lijkt mij bijzonder spannend, een aangespoelde potvis. Je weet namelijk nooit wanneer dat beest ontploft en de ingewanden je om de oren vliegen. Ja nee. Ik vind dat fascinerend.

Het fijne aan Texel is dat je de boot kunt pakken wanneer jij dat wil. Hij gaat vaak en tot laat, dus zondagochtend banjerde ik nog maar een keer over het strand. Ik had mijn koffertje en rugzak achtergelaten in het hotel en besloot nog wat schelpen te gaan zoeken. Vroeger zou ik met drie boodschappentassen met schelpen naar huis zijn teruggekeerd, maar ik heb thuis gewoon geen plaats voor drie boodschappentassen met schelpen. Dus zet ik er af en toe één op de foto. De tijd dat ik thuis een schelpenmuseum had en ieder bezoeker een dubbeltje vroeg om naar mijn suffe schelpen te komen kijken, ligt inmiddels alweer decennia achter me. Dus daarom dit relaas. Ik stuur trouwens nog wel een tikkie voor het dubbeltje. Voor niks gaat namelijk de zon op, zoals jullie hierboven hebben kunnen zien.